Zandvoortse Visserij

Ruim voordat Zandvoort in 1304 genoemd werd, waren er al bewoners van deze vallei in het duingebied. De woestenij zelf had deze bewoners weinig te bieden. Door het stuivende zand was de grond moeilijk te bewerken en niet geschikt voor de teelt van gewassen. Daarentegen was de zee rijk aan allerlei soorten vis, zoals kabeljauw, schelvis, schol, schar en vooral haring. De korte afstand tussen de visgronden en de kust maakte het mogelijk om met zeer primitieve scheepjes de visserij te beoefenen. Men viste met een open vissersboot, de slabbert of slapbuis geheten. Dit was een scheepstype van Friese oorsprong, nog ouder dan de Vikingvaartuigen. Omstreeks de 15e eeuw is vanuit de zogenaamde Egmonder Pink de ‘Bomschuit’ ontwikkeld, een boot met vlakke bodem. Deze Bomschuit groeide uit tot een schip met een afmeting van plusminus 15 meter lengte, 7 meter breedte en een gewicht van zo’n 120.000 kilo. Deze schuiten, die vele malen van het strand aan- en afvoeren, waren zeer sterk van constructie. Na de aanleg van de haven van IJmuiden in 1870 en de opkomst van het badleven was het rond de eeuwwisseling gedaan met de grote visserij. Anno 2000 ziet men enkel als de R in de maand is nog inwoners van Zandvoort voor de lol met hun trek- of duwnet vanaf het strand en vooraan in het water op garnaal vissen. Wel worden de Bomschuiten nog steeds gebouwd: De Zandvoortse Bomschuit Bouwclub bouwt bomschuiten, badkoetsen en verschillende gebouwen, vaak al lang uit het dorp verdwenen, op schaal na. Voorbeelden hiervan vindt u in het VVV kantoor en het Zandvoorts Museum.